Resultaten Nationale Gezondheidstest 2002

In opdracht van de Nederlandse Hartstichting en met subsidie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voert TNO Arbeid sinds 1999 jaarlijks de Nationale Gezondheidstest (NGT) uit om meer zicht te krijgen op de mate van lichamelijke activiteit, de fitheid, de leefstijl en het gewicht van de Nederlandse bevolking en om de bevolking te stimuleren tot meer lichamelijke activiteit.

Opzet van het onderzoek

Via een massamediale campagne worden volwassen Nederlanders opgeroepen zich te laten testen in een testcentrum. Na afname van een vragenlijst en een aantal fysieke metingen ontvangt de deelnemer een terugkoppeling over de resultaten van de metingen en een individueel beweeg- en leefstijladvies. Elk jaar wordt een thema gekozen, in 2002 stond de relatie overgewicht en bewegen centraal.

Voor het bepalen van het gezondheidsrisico als gevolg van overgewicht en obesitas wordt meestal de Body Mass Index gebruikt (BMI; de verhouding tussen lengte en gewicht). Een minder gebruikte maat die sterk gerelateerd is aan het intra-abdominale vetvolume is de buikomvang. Ook een te forse buikomvang hangt samen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. In de NGT 2002 zijn daarom zowel de BMI als de buikomvang gemeten en is bekeken of een grote discrepantie bestaat tussen beide maten.

Een andere vraag was of mensen zich bewust zijn van hun overgewicht en onge-zonde leefstijl en of dit samenhangt met de bereidwilligheid om hun leefstijl te veran-deren. Dit rapport is gebaseerd op 4650 deelnemers tussen 16-65 jaar. Aangezien de deelnemers aan de NGT 2002 zichzelf hebben aangemeld, betreft dit onderzoek geen representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking.

Resultaten

Op basis van de BMI heeft 40% van de deelnemers overgewicht en 8% obesitas, op basis van de buikomvang zijn de percentages respectievelijk 30% en 28%. Het percentage abdominale obesitas ligt dus beduidend hoger dan het percentage obesitas op basis van de BMI. Van de deelnemers met een normale BMI heeft 32% een te forse buikomvang. Na standaardisatie van de NGT gegevens naar de geslachtsspecifieke leeftijdsverdeling van het CBS liggen de prevalentiecijfers iets lager: 7% heeft dan obesitas op basis van de BMI en 22% op basis van de buikomvang. Van de deelnemers met een normale BMI heeft na standaardisatie 25% een te forse buikomvang. Meten van de buikomvang naast bepalen van de BMI levert dus een extra groep mensen op met een verhoogd of sterk verhoogd gezondheidsrisico die gemist wordt door alleen de BMI te meten.

Bijna eenvijfde deel van de deelnemers met overgewicht vindt zichzelf niet te zwaar. Met betrekking tot het abdominaal overgewicht komt een onjuiste perceptie nog vaker voor; bijna eenderde deel van de deelnemers met abdominaal overgewicht vindt zijn of haar buikomvang niet te fors. Zelfs één op de tien deelnemers met abdominale obesitas heeft een onjuiste perceptie van hun buikomvang. Ruim de helft van de deelnemers is zich niet bewust dat zijn of haar voedingspatroon niet gezond is en dat ze onvoldoende bewegen in vergelijking met de beweegnormen. De perceptie van overgewicht hangt duidelijk samen met de bereidwilligheid om iets aan het overgewicht te doen. Deelnemers met een juiste perceptie van hun overgewicht hebben veel vaker geprobeerd af te vallen in het afgelopen jaar dan deelnemers met een onjuiste perceptie (61% versus 28%). Ook met betrekking tot de plannen voor de komende zes maanden blijkt dat deelnemers met een juiste perceptie van hun overgewicht veel vaker van plan zijn om meer te gaan bewegen (55% versus 35%), minder vette voeding te gaan eten (36% ver-sus 20%) of minder alcohol te gaan drinken (19% versus 12%) dan deelnemers met een onjuiste perceptie.

Conclusie

Deze bevindingen hebben consequenties voor de aanpak van overgewicht. Om mensen die zich niet bewust zijn van hun overgewicht en ongezonde leefstijl te stimuleren tot een gezonder voedingspatroon en meer lichaamsbeweging, is in eerste instantie voorlichting nodig om hun perceptie over het eigen gewicht, voedingspatroon en beweeggedrag bij te stellen. Het gaat daarbij niet alleen om het overdragen van kennis over de voedings- en beweegnormen, maar ook om het inzichtelijk maken van hun huidige voedingspatroon en beweeggedrag en de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s.